De Man Die De Ziel Probeerde Te Wegen

De man die de ziel probeerde te wegen

0
Luigi Schiavonetti's "The Soul Hovering over the Body, Reluctantly Parting with Life, uit The Grave, a Poem by Robert Blair." (Credit: Wikimedia Commons/The Metropolitan Museum of Art)

Luigi Schiavonetti’s “The Soul Hovering over the Body, Reluctantly Parting with Life, uit The Grave, a Poem by Robert Blair.” (Credit: Wikimedia Commons/The Metropolitan Museum of Art)

In 1907 voerde een arts uit Massachusetts, Duncan MacDougall genaamd een ongewone serie experimenten uit. Geïntrigeerd door het idee dat de menselijke ziel massa had en dus gewogen kon worden, stelde Dr. MacDougall een bed samen dat voorzien was van een gevoelige set straalweegschalen en overtuigde een reeks terminaal zieke patiënten om er tijdens de laatste momenten van hun leven op te gaan liggen.

MacDougall was niets anders dan zeer detail-georiënteerd: Hij registreerde niet alleen het precieze tijdstip van overlijden van elke patiënt, maar ook de totale tijd dat hij of zij op het bed lag en de veranderingen in gewicht die optraden rond het moment van uitademing. Hij rekende zelfs het verlies van lichaamsvloeistoffen zoals zweet en urine en gassen zoals zuurstof en stikstof nam hij mee in zijn berekeningen. Zijn conclusie was dat de menselijke ziel 3/4 van een ons woog, of 21 gram.

NY Times 1907 Ziel heeft gewicht - Wikimedia Commons

 New York Times artikel uit 1907. (Credit: Wikimedia Commons)

 

Een jaar in de schijnwerpers

De resultaten van MacDougall’s studie verschenen in The New York Times in maart 1907. Het artikel bracht een debat op gang tussen MacDougall en de arts Augustus P. Clarke, die “had a field day” met MacDougall’s minuscule meettechnieken.

Clarke wees erop dat op het moment van de dood de longen ophouden met het koelen van het bloed, waardoor de temperatuur van het lichaam iets stijgt, waardoor de huid gaat zweten – aldus de verklaring voor de ontbrekende 21 gram van Dr. MacDougall’s.

MacDougall vuurde terug in het volgende nummer met het argument dat de bloedsomloop ophoudt op het moment van overlijden zodat de huid niet door de temperatuurstijging verhit zou worden. Het debat liep helemaal door tot eind 1907 en kreeg onderweg aan beide kanten aanhangers.

Vier jaar lang was alles stil aan het MacDougall front, maar in 1911 sierde hij de voorpagina van The New York Time’s met de mededeling dat hij zijn plannen had opgevoerd. Deze keer zou hij de menselijke ziel niet wegen – hij zou ze fotograferen op het moment dat ze het lichaam verlaat.

Hoewel hij zijn bezorgdheid uitsprak over het feit dat “de zielssubstantie [te]onrustig zou kunnen worden” om op het moment van overlijden gefotografeerd te worden, slaagde hij er toch in een dozijn experimenten uit te voeren waarin hij “een licht fotografeerde dat leek op dat van de interstellaire ether” in of rond de schedels van patiënten’ op de momenten dat ze stierven.

MacDougall zelf overleed in 1920

De erfenis van deze eigenaardigheid

Referenties aan MacDougall’s experimenten blijven om de paar jaar opduiken vanaf de Victoriaanse tijd tot aan vandaag. Het idee dat de ziel 21 gram weegt is opgedoken in romans, liedjes, en films – het is zelfs de titel geweest van een film. Dan Brown beschreef MacDougall’s experimenten vrij gedetailleerd in zijn avonturen verzamelwerk The Lost Symbol.

Maak de experimenten met het wegen van de ziel bekend bij iemand die zich met parapsychologie bezighoudt en je hoort waarschijnlijk geroezemoes van instemming; het idee van wetenschappelijk bewijs voor de ziel biedt namelijk troost op vrijwel dezelfde manier als tarot lezingen en hotline spiritisten dat doen.

De eigenlijke resultaten van de experimenten en hun mislukking om aanvaard te worden als wetenschappelijke canon zijn volkomen irrelevant. De wetenschap is een kant op gegaan en de popcultuur een andere. Functionele neuro-imaging heeft elke denkbare functie die ooit met de ziel geassocieerd werd verbonden met specifieke gebieden en structuren van de hersenen. De natuurkunde heeft de verbanden tussen subatomaire deeltjes zo grondig in kaart gebracht dat er gewoon geen ruimte meer is voor spirituele krachten.

En toch…

Het idee van het wegen van de ziel blijft bij ons. Het is romantisch. Het spreekt tot sommige van onze diepste verlangens en angsten die MacDougall’s lezers in 1907 in hun greep hadden en ons nu nog steeds boeien.

Een ander soort griezeligheid

Om te begrijpen waarom MacDougall de ziel wilde wegen – en waarom hij dacht dat hij dat kon – helpt het om de omgeving te begrijpen waarin hij opereerde. Zijn werk is doorspekt met termen en ideeën die herkenbaar zijn van de vroege psychologische theoretici Freud en Jung. Er is veel gepraat over “psychische functies” en “bezielende principes” – een grijpen naar de precieze wetenschappelijke taal om bewustzijn en het leven zelf te beschrijven in een wereld die nog onwetend is van MRI en DNA.

We zijn vandaag de dag nog steeds diep onwetend, zoals elke eerlijke wetenschapper je zult vertellen. Bepaalde gedragingen van kwantumdeeltjes verbijsteren nog steeds de knapste koppen; en we zijn nog lang niet zover dat we precies begrijpen hoe onze hersenen het meeste doen van wat ze doen. We blijven zoeken naar de donkere materie die meer dan 80 procent van de massa van het universum uitmaakt, maar we hebben nog geen enkel atoom ervan gezien en weten ook niet waar het zich precies bevindt.

Donkere materie - NASADonkere materie kan niet gefotografeerd worden, maar onderzoekers kunnen haar wel detecteren en in kaart brengen door gravitatie lensmetingen uit te voeren. De verdeling ervan is hier te zien in de blauwe overlay van de binnenste regio van Abell 1689, een cluster van sterrenstelsels op 2,2 miljard lichtjaar afstand. (Credit: NASA/ESA/JPL-Caltech/Yale/CNRS)

En in al deze donkere hoeken vinden we nog steeds mensen die op zoek zijn naar de ziel. Sommigen beweren dat we haar uiteindelijk zullen ontdekken tussen de kwantumdeeltjes. Anderen houden vol dat het iets te maken heeft met de elektromagnetische golven die onze hersenen genereren. De meeste wetenschappers verwerpen deze beweringen. Maar deze onderzoekers en theoretici gaan door, niet bereid de hoop op te geven dat we op een dag het hiernamaals zullen kunnen wegen, meten en kwantificeren.

MacDougall’s werk vond weerklank en blijft weerklank vinden Niet om wat hij vond (of niet vond) maar om wat hij suggereerde. Het eenvoudige idee achter de experimenten was aantrekkelijk en voor velen die het debat in The New York Times volgden was dat idee alleen al voldoende om MacDougall’s werk het bespreken waard te maken.

Maar in 1907 (net als nu) blijkt het echte testbare verifieerbare universum voortdurend veel vreemder te zijn dan alles wat de parapsychologie had kunnen verzinnen. Hoe zijn fotonen zowel deeltjes als golven en toch op de een of andere manier geen van beide? Hoe kunnen er zoveel planeten in ons melkwegstelsel zijn en toch zo weinig die – denken we – leven herbergen zoals we dat kennen? Het heelal zit vol met echte onopgeloste mysteries, waarvan de echte antwoorden ergens daarbuiten liggen.

We hebben de zielen van de doden niet nodig om een beklijvende reeks experimenten in elkaar te knutselen. Het meetbare fysieke universum is al meer dan griezelig genoeg.

Share.